Indonesië is een fascinerend land, maar ook vol contrasten. Natuurlijk zijn er de adembenemende vulkaanlandschappen, de verlaten paradijselijke stranden en vind je spotgoedkope verse vruchtensappen op elke hoek van de straat. Maar de immer kraaiende hanen, blaffende honden, toeterende motors en zingende moskeeën ’s morgens vroeg moet je er dan wel bijnemen. Vier redenen waarom we wel én waarom we niet zouden terugkeren naar Indonesië. WAAROM NIET MEER TERUGKEREN? LAWAAI: met stip op nummer één. Indonesië is geen land voor de ‘lichte slapers’. Het land zit vol met honden en hanen en die hebben het idee dat er geen verschil is tussen dag en nacht. Idem dito voor de duizenden moskeeën die het land rijk is. Vanaf 4u ’s morgens ontsnap je niet aan ‘het woord van Allah’. Tel daar nog de miljoenen brommers bij, uiteraard zonder geluidsdempers en je weet dat oordopjes het belangrijkste item wordt op je inpaklijst. VERKEER: gevaarlijk, inefficiënt en ongestructureerd. Voetgangers zijn onbestaande voor motors en autos, éénrichtingstraten zijn enkel een theoretisch concept, wandelpaden zitten vol met putten van meer dan een meter diep en verlichting is een luxegoed. Boten zijn nauwelijks zeewaardig, zitten overvol en kunnen op volle zee zomaar stilvallen (zeg dat we het weten). En een straat oversteken in Jakarta is enkel weggelegd voor diegenen die hun leven moe zijn. VERVUILING: misschien wel de grootste uitdaging van het land. Vuil wordt overal gewoon op straat en elders gesmeten. Als je op de bovenverdieping woont, smijt je het gewoon door je raam, het terras van de onderbuurman vangt het wel op. Op de ferries wordt al het vuil verzameld in grote plastieke zakken. Klinkt goed totdat je dan merkt dat die grote zakken gewoon in de zee worden gedropt. De rivieren in Jakarta lijken eerder...